Het gevoel boven jezelf uit te stijgen roept ongekende emoties op

onderweg

onderweg

Zondag 15 december 2013. 11 uur. AV Spark Spijkenisse. Gemoedelijk gekeuvel en dan: knal. Ik val in het startschot en ben weg. Eén kilometer verder registreert mijn horloge 4:57.

145 Dagen na de start van de marathontraining is mijn persoonlijke M-dag. Ruim 1.100 kilometers weggevreten. Mijn geduld wordt beloond. Ik mag gaan ontdekken hoe mijn lichaam reageert op 42,195 kilometer hardlopen.

Helaas zonder mijn loopmaatje Anja. De DEM-fysio heeft een paar dagen voor de start definitief de stekker uit haar voornemen gehaald. Overtraind. Geblesseerd. ‘Afwachten of je de halve in Schoorl in februari haalt.’

Ik leef mee en denk tegelijk: ‘ik volgde hetzelfde trainingsschema. Inclusief de hobbels van een volle ‘after-Terschelling’agenda en wat darmklachten. Help!‘

De spanning neemt wat toe de laatste dagen. De beoogde snelle 10 kilometer een week vooraf wordt een snelle trainingsronde. Niet meer. Gelukkig kan ik loslaten. Ik zie ernaar uit en wat ik kan sturen, stuur ik bij. Door veel te praten. Door strikt te eten.

De sfeer in Spijkenisse is goed, ontspannen. Veel ervaren marathonlopers met ieder hun eigen verhalen. Verzorgd complex. Op de baan mag ik op het laatste moment nog een foto maken van wat stoere halve marathonlopers. M’n handen trillen. Toch voel ik me goed. Rondje los lopen op de atletiekbaan, wat oefeningen. Een fijn winterzonnetje breekt door, 9 graden, geen regen in het vooruitzicht. Alleen de wind is pittig. ZW4.

Zoals voorbereid, ga ik naast het pacerbordje langs de kant met ‘3:45’ staan. Daarvoor is nog een mooie lege plek. Ik loop een paar meter verder. En voordat ik het weet ben ik weg, me half afvragende hoe pacers er ‘in het echt’ uit zien. ‘Boeien’, denk ik. Ik loop uiteindelijk mijn eigen race. Met mezelf en misschien ook tegen mezelf. Onder luid gejoel lopen we twee rondjes over de baan. En weg. De dijk op. Een slinger langs het water. ‘Mooi!’ Een recreatieparkje in. Een vlagger roept me toe ‘winnen!’. ‘Ja!’, roep ik vrolijk terug.

Ik spot een geel veiligheidshesje op zo’n 100 meter met 3:30 erop. ‘Aha. Ik mag terugzakken geloof ik. Ergens rond de 4 uur was het doel. 4:15 of zo.’ Twee lopers vragen me direct of het goed gaat. ‘Ja hoor! Foutje bij de start’, roep ik enthousiast en bespreek vervolgens mijn wedstrijdschema. Zelfs uitgelegd wat mijn PRs zijn….’Moet net aan lukken’, zegt een van mijn nieuwe adviseurs. Leuk hoor, die ervaren rotten. Toch antwoord ik dat dit niet mijn plan is.

Maar intussen geniet ik wel van het beschut lopen. Echt ideaal met de tegenwind langs een rechte dijk. Achter me zie ik nauwelijks groepjes. Voor mijn gevoel alleen zwoegende individuen. Nee, laat mij maar lekker bij ‘mijn clubje’ blijven. Blijft spannend. Dit is namelijk mijn wedstrijdtempo voor de halve. En vandaag ben ik dan pas halverwege…

Na 20 kilometer zak ik daarom toch iets terug. Meer voor m’n eigen bestwil dan wat anders en sla ik letterlijk een fietser aan de haak. Ik weet nu hoe je verliefd kunt worden op mannen met een breed postuur. Het blijkt een aardige jongen die me 2 kilometer uit de wind houdt en zegt dat het lopen me prima af lijkt te gaan. Als de weg voor de wind draait en hij naar degene gaat die hij eigenlijk begeleidt, kan ik daardoor nog heel veel hebben. Zonnetje, watertje, riet en zwanen bijvoorbeeld. Op de 24 kilometer zegt iemand bij de drankpost dat ik te breed lach, ‘daar kan gas bij’. Grapje terug gemaakt dat ik alleen bij hem stop voor gluehwein.

En zo gaat het door. Door oud weids polderland, over kronkelende slingerdijken, langs waterpartijtjes, eenzame boerderijen en de industrie van Pernis in de verte. In een dorpje leidt een vlagger me als een lakei de bocht door. We constateren samen dat het genieten is. Continu krijg ik dat soort leuke prikkels. Ook gewoon in mijn eentje lopend. Geen zin meer om op m’n horloge te kijken. De 4:00 heb ik nog steeds ver achter me. Ik doe mijn eigen ding. Ik loop een marathon. Wow! Moet je mij zien! Dat zijn kilometerbordjes voor een marathon. Dit is hét! Ik zet de ene voet voor de andere en de kilometers glijden weg. ‘Maak een foto!’, roep ik tegen de eerste de beste met een spiegelreflexcamera.

Vlak voor de 30 komt een vouwfietser naast me. Het is Tomas. ‘Zo, dat zijn er al 30,’ zegt hij als hij het bordje ziet. Duh. Droog.

Ik ga verder met m’n eigen ding. Hij laat me gaan. Soms samen even stroef. Ik: ‘Hé, fiets je me nog uit de wind? Ik loop je voorbij.’ Soms soepel door zijn opmerkingen ‘die hoge torens, dat is de volgende landmark, dan zijn we er bijna’. Of ‘wat loop jij lekker constant zeg. Gaat goed zo.’

We halen steeds meer lopers met kramp in. Ik moedig een wandelende Engelse jongen aan op 38 kilometer. ‘Come on, you’re almost there.’ Op de boulevard langs de Maas vervloekt een vrouw haar lichaam, woest als een kind op en neer springend. Kramp.

Ik blijf focussen. Dit is aftellen! Nog steeds werp ik geen blik op mijn horloge. Bij 40 voel ik iets in m’n linkerbovenbeen. Een V-vormig trekken van een spier. ‘No way Jose!’ Ik stijg voor mijn gevoel overal bovenuit. Daar horen dit soort acties van mijn lichaam niet bij. Ik ga die hamer niet tegen gekomen. Die kramp niet. En wandelen zie ik ook niet als iets met toegevoegde waarde. Besluit ik ter plekke. Al mijn mijmeringen over dit onderwerp achter me latend.

Vlaggers moedigen me aan. Onder de brug over de Maas door en nog een laatste bocht. Een fotograaf maakt een foto. Big smile. Vlak voor de finish constateert iemand dat ik mijn benen mooi strek. Ik glim inwendig en versnel licht. Nog één rondje over baan naar de finish.

Ik ben totaal overdonderd door de tijd op de klok 3:48:41. Snel! Totaal onverwacht. ‘WOW’, is het enige dat ik kan denken. Ik voel mijn hart in mijn lichaam zwellen. Tranen werken zich een weg omhoog. Ik vang ze in een brede lach. En probeer te wandelen. ‘Hoe gaat dat ook alweer?’ Ik giechel.

Ik app ‘Wat doe je na een marathon?’ ‘Patat eten en drinken’, appt een ervaren loopmaat binnen twee tellen terug. Ik opteer nog even voor warme thee. Ga zitten. En weer staan. Tomas wil me omhelzen. ‘Nee, ik denk dat ik in beweging moet blijven.’ En zo blijf ik. Enerzijds ontzettend trots dat mijn lichaam hiertoe in staat is. Anderzijds op zoek naar wat ‘verstandig’ is. Tomas verdwijnt. Hij gaat wat rekken en strekken na z’n fietstocht en 10 km-run. Ik wandel wat onzeker met kromme benen over de baan en deel ervaringen met medelopers.

‘Koud,’ is mijn volgende gedachte. Ik loop naar de auto, haal mijn douchespullen en loop naar de kleedkamer. Ideaal dat alles zo dicht bij is. In de kleedkamer weer leuke gesprekken. Ik sta te stuiteren zo blij als ik ben. En geef me er helemaal aan over.

Voor de ultieme ervaring laat ik mijn medaille graveren en ga naar de masseur. Die constateert dat de spieren in mijn linkerbovenbeen inderdaad wat gespannen zijn. Een supermassage volgt. Met een fleecedekentje beland ik volledig zen in de auto. Al append en bellend zijn we in no-time in Heemskerk bij m’n ouders waar we kind 1 ophalen. ‘Je straalt helemaal’, zegt mijn moeder, die verder niet zo enthousiast is over deze actie, spontaan.

Deze marathonervaring kan niet meer stuk. Het herstel gaat boven verwachting goed. Ik eet veel gezonde kleine porties. Ik drink. Ik krijg te horen dat ik tweede was bij de V40. En de pijn is minimaal. Bij traplopen voel ik alleen lichte spierpijn. En als ik naar het dorp fiets krijg ik even een brok in m’n keel. Ook dat fietsen gaat namelijk gewoon. Het gevoel boven jezelf uit te stijgen roept ongekende emoties op.

En nu ga ik lekker feestdagen vieren en heel veel tijd met familie en vrienden delen!

DSC05228

Advertenties